• Politieenwetenschap


Nieuws

Binnenkort te publiceren

2016

  • Naar handhaafbare noodbevelen en noodverordeningen – Rijksuniversiteit Groningen

2017

  • VVC onder de aandacht: Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk - Radboud Universiteit
  • De mogelijke meerwaarde van de bodycams voor het politiewerk - Sander Flight Onderzoek & Advies

 

 

Laatste publicaties

Kindersekstoeristen

Een literatuurverkenning naar kenmerken, motieven en werkwijzen van (Nederlandse) daders.

A. Koning, L. Rijksen-van Dijke (Universiteit Leiden). P&W Verkenning 78, Politie en Wetenschap 2016

Samenvatting
Over de (Nederlandse) daders van kindersekstoerisme is weinig bekend. In deze verkennende studie wordt gekeken wat de kenmerken, motieven, en werkwijzen zijn van Nederlandse kindersekstoeristen in het buitenland en wat effectieve interventie strategieën zouden kunnen zijn.

Kindersekstoerisme, het plegen van of medewerking verlenen aan seksueel geweld tegen kinderen in het buitenland, is een wereldwijd probleem. Het typische beeld is dat van een kindersekstoerist die reist van rijkere, ontwikkelde landen (zogenoemde herkomstlanden) naar armere ontwikkelingslanden (bestemmingslanden): de meest bekende bestemmingslanden bevinden zich in Zuidoost-Azië, Zuid-Amerika, Afrika en Oost-Europa. Inmiddels wordt steeds duidelijker dat bestemmingslanden overal kunnen zijn, en dat daders ook (of vooral) binnen hun regio of land reizen. Bovendien zijn dankzij technologische ontwikkelingen in de laatste jaren nieuwe, online varianten van het fenomeen ontstaan in de vorm van webcam of livestream kindersekstoerisme, waardoor daders niet langer fysiek een grens hoeven over te steken om een kind te misbruiken.

Uit de analyse blijkt dat de dadergroep verre van homogeen is en dat verschillende motivaties voor kindersekstoerisme - preferentieel/situationeel - en werkwijzen – kortverblijvend / langverblijvend/ online - van toepassing zijn.
De diversiteit van de dadergroep vraagt om een afwisselend pakket van op daders afgestemde maatregelen. De schaarste van literatuur over het onderwerp illustreert daarnaast de noodzaak van het verbeteren van de informatiepositie en de uitvoering van wetenschappelijk vervolgonderzoek. Aan de politie is het de taak om, gegeven de beperkte informatiepositie en capaciteitsrestricties, het pakket aan preventieve en opsporingsmaatregelen zo effectief mogelijk vorm te geven. Politieke steun en financiering zijn daarbij volgens de onderzoekers kernvoorwaarden om de aanpak van kindersekstoerisme vorm te geven.

Mensenhandel in de prostitutie opsporen zonder aangifte?

Een vervolgonderzoek om de doorzettingsmacht van de politie te verduidelijken.

M. Goderie m.m.v. R. Kool. (Goderi onderzoek). Politiekunde 81, Politie en Wetenschap/Reed Business 2016.

Samenvatting
Een aangifte is bij de aanpak van gedwongen prostitutie niet perse nodig als er ook voldoende andere bewijsmiddelen voorhanden zijn, bijvoorbeeld op basis van prostitutiecontroles en financieel onderzoek. Dit blijkt uit onderzoek van Marjolein Goderie. Slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie vinden het lang niet altijd in hun eigen belang om aangifte te doen bij de politie. De aangiftebereidheid is dan ook laag. Ook de politie is vanwege het mogelijke risico voor het slachtoffer soms terughoudend om een aangifte van een slachtoffer van mensenhandel op te nemen, maar ziet die aangifte wel als belangrijke start van een opsporingsonderzoek. Opsporen en vervolgen zonder aangifte is in principe juridisch mogelijk, maar wordt nog teveel als papieren werkelijkheid gezien. Uit dit onderzoek blijkt dat er wel degelijk mogelijkheden in de praktijk zijn om zonder aangifte van een slachtoffer succesvol een opsporingsonderzoek te starten en verdachten te vervolgen en voor de rechter te brengen. Rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens biedt daarbij ruimte voor creatieve oplossingen van de zijde van de politie. Het onderzoek biedt daarmee handvatten voor de opsporingspraktijk bij mensenhandel in de prostitutie.

Een van de redenen voor de lage aangiftebereidheid bij mensenhandel in de prostitutie is dat veel slachtoffers erg bang zijn, bijvoorbeeld voor wraakacties van hun uitbuiters. Ook vrezen slachtoffers dat de politie weinig kan en zal doen om de verdachten meteen aan te pakken. Zelfs al worden er aangiften verkregen, dan is de kwaliteit er van vaak niet optimaal. Een oplossing zou daarom zijn om niet de aangifte van het slachtoffer als vertrekpunt te nemen maar bij de opsporing meer verdachte-gericht te werk te gaan.
 
In dit onderzoek is daarom door middel van interviews met deskundigen en een analyse van jurisprudentie uitgezocht wat mogelijkheden in de praktijk zijn om een opsporingsonderzoek naar mensenhandel in de prostitutie succesvol te starten of te volbrengen zonder dat slachtoffers (eerst) aangifte doen. Deze mogelijkheden zijn in de politiepraktijk nog onvoldoende bekend.

Uit de interviews komen kansrijke opsporingsmethoden naar voren, uit de speurtocht naar jurisprudentie succesvolle bewijsmiddelen. Voorbeelden van succesvolle opsporingsmiddelen zijn het beginnen van een onderzoek op basis van een melding, digitaal onderzoek, de heimelijke doorzoeking en observaties door de politie. Een aangifte is niet perse nodig als de opsporing zich gaat richten op het verkrijgen van andere bewijsmiddelen. Uit de jurisprudentie blijkt dat sommige politieteams en officieren van justitie dit pad al eens succesvol gevolgd hebben.
De politie en het Openbaar Ministerie kijken nu hoe zij de mogelijkheden om vaker verdachte gericht op te gaan sporen verder kunnen gaan ontwikkelen.

Boeven vangen

Een onderzoek naar proactief politieoptreden.

W. Landman, L. Kleijer-Kool (Twynstra Gudde, Amersfoort). Politiewetenschap 91, Politie en Wetenschap/Reed Business 2016.

Samenvatting
Voor het eerst is in een grootschalig onderzoek vanuit de dagelijkse politiepraktijk gekeken naar de manier waarop politieagenten mogelijke overtreders op straat selecteren en staandehouden voor proactieve controles. Dit zijn controles op eigen initiatief van de politie. Uit het onderzoek van Twynstra Gudde blijkt dat etnische minderheden relatief zijn oververtegenwoordigd in de controles. Voor deze oververtegenwoordiging bestaat niet altijd een objectieve rechtvaardiging. Etnisch profileren komt dus voor. Het zijn echter niet alleen etnische minderheden die door de politie worden geprofileerd. Ook burgers die behoren tot de etnische meerderheid worden geprofileerd bij de uitvoering van proactieve controles. Het profileren van burgers past binnen het professionele frame van politieagenten dat kan worden samengevat als ‘boeven vangen’ en wordt tevens bewust en onbewust aangemoedigd door het politie- en veiligheidsbeleid. Het disproportioneel vaak controleren van etnische minderheden is mede daardoor niet eenvoudig te veranderen. 

Het proactieve optreden van politieagenten is sinds enkele jaren onderwerp van maatschappelijke kritiek. Deze kritiek houdt verband met de vaak gedane, maar gebrekkig onderbouwde, stelling dat de politie etnisch profileert. Van etnisch profileren is sprake wanneer burgers op grond van hun zichtbare etnische achtergrond en/of huidskleur disproportioneel worden staande gehouden, zonder dat daar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Onderzoekers van Twynstra Gudde hebben het proactief politieoptreden kwantitatief en kwalitatief in kaart gebracht door in totaal dertig diensten mee te draaien in vier basisteams. Het proactief politieoptreden is zo volledig mogelijk in kaart gebracht: van selecties uit het straatbeeld – via staandehoudingen en de bejegening – tot de opbrengsten van het proactieve optreden.

Uit het onderzoek komt naar voren dat politieagenten net zo vaak gebeurtenissen uit het straatbeeld selecteren op basis van waargenomen grensoverschrijdend gedrag van burgers als op basis van een vermoeden van een strafbaar feit (verdenking). Bij selecties op basis van een vermoeden van een strafbaar feit spelen intuïtie en stereotypering een rol. De stereotypen die politieagenten gebruiken hebben deels een etnisch karakter, maar ook binnen de etnische meerderheid wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende stereotypen. Politieagenten zijn zich in de regel bewust van het gebruik van stereotypen. Zij rechtvaardigen het gebruik hiervan door te verwijzen naar hun ervaringen in het politiewerk en naar de informatie die zij over criminaliteitsplegers krijgen aangereikt.
Politieagenten gaan eerder tot een staandehouding over bij waargenomen grensoverschrijdend gedrag van burgers dan wanneer zij op basis van intuïtie en andere indirecte aanwijzingen een strafbaar feit vermoeden. Het gebruik van informatie is ook een factor van belang: als politieagenten een kenteken natrekken en er komen antecedenten naar voren, dan gaan zij significant vaker tot een staandehouding over dan wanneer het informatiegebruik geen opbrengst heeft. In de staandehoudingen zijn etnische minderheden oververtegenwoordigd ten opzichte van hun aandeel in de bevolking. Hier bestaat niet altijd een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor. Dit wil zeggen dat etnisch profileren plaatsvindt. Ook binnen de etnische meerderheid wordt echter geprofileerd en worden burgers zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging staandegehouden.   

Politieagenten lichten hun optreden in een groot deel van de gevallen wel toe aan de burgers die zij staandehouden. Als staandehoudingen zijn gebaseerd op intuïtie of ‘onderbuikgevoel’, dan vindt een toelichting minder vaak plaats dan wanneer grensoverschrijdend gedrag van burgers de aanleiding is voor een staandehouding. De interactie tussen burgers en politieagenten verloopt veelal op een vriendelijke manier, al leidt de huidige aandacht voor etnisch profileren soms tot meer spanning in de contacten met burgers tijdens controles.

De proactieve controles van politieagenten hebben in ongeveer drie van de tien gevallen een of andere opbrengst. Politieagenten denken dat dit vaker het geval is (opbrengstoverschatting). Zij zijn zich tegelijkertijd beperkt bewust van de maatschappelijke kosten van proactieve controles (kostenonderschatting). Het gaat dan onder andere om hoe etnische minderheden het ervaren om vaak staande gehouden te worden zonder dat er iets aan de hand is.
De uitvoeringspraktijk van de politie – waarin etnisch profileren als onderdeel van proactieve controles voorkomt – moet worden gezien in het licht van wat politieagenten zien als hun belangrijkste taak: boeven vangen. Hun oriëntatie op proactief boeven vangen wordt bewust en onbewust aangemoedigd door het politie- en veiligheidsbeleid, bijvoorbeeld in de zogenaamde dynamische verkeerscontrole en patseraanpak van de politie.

De onderzoekers geven aan dat een politie die etnisch profileert onbedoeld bijdraagt aan ongelijkheid in de samenleving en daarmee handelt op een manier die strijdig is met haar waarden. Daarom zou de politie dit complexe vraagstuk met voorrang moeten aanpakken. De onderzoekers beschrijven verschillende manieren waarop dit zou kunnen, zoals het beperken van de handelingsruimte van politieagenten, het investeren in bewustwording en bejegening en het professionaliseren van het selectieproces.