• Politieenwetenschap


Nieuws

CALL 2017
 
De inschrijving op de Call 2017 is gesloten. Er zijn 98 onderzoeksideeën ontvangen en ontvankelijk verklaard.

Uiterlijk vrijdag 29 september 2017 ontvangt u bericht of uw onderzoeksidee is geselecteerd voor de 2e ronde. 

 

 

 

 

 

 

 

Laatste publicaties

Modus operandi van de recherche

Samenvatting
Zoals een crimineel zich een bepaalde werkwijze eigen maakt, zo heeft ook de recherche modus operandi. Bureau Beke heeft voor Programma Politie & Wetenschap onderzocht hoe rechercheteams in de praktijk te werk gaan bij moord- en zedenzaken. Daarbij is op een neutrale manier de dagelijkse praktijk van rechercheteams vastgelegd die, vaak onder grote druk van publiek, media en het bestuur, zo snel mogelijk de misdaad moeten oplossen. Wat doet het rechercheteam (en waarom) om een zaak tot opheldering te brengen? Het belangrijkste doel van het onderzoek is om rechercheurs in Nederland kennis te laten nemen van de inspanningen, teleurstellingen en successen van collega-rechercheurs. Elke zaak is weliswaar uniek, maar verschillende ‘succesfactoren’ komen in de zaken terug. In de praktijk is het niet altijd haalbaar dat een compleet opgetuigd en gekwalificeerd team meteen na het misdrijf kan starten met onderzoek. Niettemin worden de meeste zaken opgelost.

Het onderzoek is gebaseerd op 31 moord- en verkrachtingszaken. De politiedossiers zijn bestudeerd en er zijn interviews gehouden met de rechercheteams. De omvang van de bestudeerde dossiers wisselde per zaak: van sommige zijn enkel de stamprocessen-verbaal bestudeerd (samenvatting van de zaak van zo’n 50-60 pagina’s), van andere zijn dozen vol met dossiers met daarin processen-verbaal van verhoren, tactische middelen, forensisch onderzoek en bijzondere opsporingsmiddelen onderzocht.
Er is voor gekozen om vooral zaken te bestuderen met een onbekende dader, die geen relatie heeft met het slachtoffer. Dit soort zaken komt weinig voor, want bij moord en zedenmisdrijven kennen dader en slachtoffer elkaar vaak. Het rechercheteam moet in deze zaken meestal alles uit de kast halen om bij een verdachte te komen.

Het onderzoek laat zien dat het denken in termen van hypothesen en scenario’s inmiddels gemeengoed is binnen de recherche en dat van tunnelvisie weinig sprake meer lijkt. Bij uitzondering richt de recherche zich in haar opsporingsonderzoek nog op een enkel scenario of een enkele verdachte.

Het ambachtelijke recherchewerk bestaat onder meer uit het sporenonderzoek op de plaats delict, het houden van buurtonderzoek, veiligstellen van telecomgegevens, het raadplegen van politiesystemen en het gebruikmaken van de media. Het is soms zoeken naar een speld in de hooiberg, bijvoorbeeld als de recherche moet uitzoeken wie in een straal van 20 kilometer op een bepaald type brommer rijdt. Soms heeft het rechercheteam ‘geluk’ en laat de dader DNA achter of wordt herkend door het slachtoffer of getuigen. Verdachten kunnen ook uit het buitenland komen of zich daar verschansen voor de politie. De formele contacten met buitenlandse politiekorpsen zijn soms tijdrovend. Het helpt als de teamleden afreizen naar het buitenland om de informatie ter plekke te halen.

Uit de bestudeerde zaken blijkt dat het moeilijk is voor de dader om geen sporen achter te laten. De snelle ontwikkeling in technische mogelijkheden vergroot de waarde van sporenonderzoek. De afstemming tussen tactische en technische opsporing behoeft nog wel verbetering. Tactisch moet immers bepaald worden wat er technisch moet worden onderzocht. Hoewel technisch bewijs in zaken tot een oplossing hebben geleid, blijven verklaringen van getuigen en tips ook van grote waarde. Deze kunnen de recherche op het juiste spoor zetten.

In een paar gevallen is het de recherche (nog) niet gelukt om de zaak op te lossen. Zoals bij een in stukken gezaagd lichaam dat weken in het water heeft gelegen. Na veel tijd en moeite is er geen dader gevonden. De recherche documenteert dan alle informatie zo volledig mogelijk voor een eventueel cold case team. 

De onvindbaren.

Samenvatting

Er staan ongeveer 11.000 tot een gevangenisstraf veroordeelde voortvluchtigen op de nationale opsporingslijst en deze worden niet altijd actief opgespoord. Dit blijkt uit onderzoek van Yvette Schoenmakers en anderen. Sommige voortvluchtigen staan al lang gesignaleerd; bijna de helft al langer dan vijf jaar. Ruim driekwart van de voortvluchtigen heeft een openstaande strafduur van hooguit twee maanden voor bijvoorbeeld vermogenscriminaliteit. De opsporing van deze mensen heeft geen hoge prioriteit bij de politie. Sommige voortvluchtigen zijn zwaardere criminelen met hogere openstaande straffen. Opsporing van deze zwaardere criminelen valt onder het landelijk politieteam FASTNL, dat deze voortvluchtigen actief en specialistisch opspoort. De groep voortvluchtigen die niet in aanmerking komt voor gerichte opsporing, de ‘middenmoot’ met kortere openstaande gevangenisstraf, loopt echter kans om aan de aandacht van de politie te ontsnappen. Beperkte gegevensuitwisseling door en met andere instanties is daar mede debet aan. Een deel van de grote groep voortvluchtigen zou ‘vindbaar’ zijn als er gericht gezocht zou worden. Er zijn volgens de onderzoekers mogelijkheden om tot een meer geloofwaardige strafexecutie te komen.

Het onderzoek
In het onderzoek zijn kenmerken in beeld gebracht van voortvluchtigen die zich onttrekken aan een onherroepelijk door de rechter opgelegde gevangenisstraf. Onderzoeksvragen waren: wat zijn de achtergrondkenmerken van gesignaleerde voortvluchtigen in Nederland, hoe ontvluchten zijn hun straf en hoe kan de politie het traceren van deze personen optimaliseren? Voor het onderzoek zijn van 11.167 voortvluchtigen in het landelijk opsporingssysteem gegevens bestudeerd afkomstig van CJIB, politie en justitie. Daarnaast zijn interviews en een expertmeeting gehouden met professionals en heeft dossieronderzoek plaatsgevonden van 29 aangehouden voortvluchtigen in twee politie-eenheden.

De voortvluchtigen
De overgrote meerderheid (87%) van de voortvluchtigen is man. Een klein deel (8%) is geboren in Nederland, 37% in een niet-westers land, 27% in een Midden- of Oost-Europees land. De delicten waarvoor men is veroordeeld toen men voortvluchtig werd (indexdelicten), zijn vooral vermogensdelicten zonder geweld (58%), gevolgd door drugsdelicten (13%). De helft heeft een openstaande strafduur van hooguit een maand, ruim een kwart (27%) 1 tot 2 maanden. Bijna een tiende (9,2%) heeft een openstaande detentie van 120 dagen of meer. De helft van de voortvluchtigen heeft meerdere eerdere veroordelingen op zijn of haar naam staan, vooral voor vermogensdelicten zonder geweld.
De groep voortvluchtigen is gevarieerd van aard en bestaat onder andere uit veelplegers, ‘beroepscriminelen’ met een zwaarder strafblad (vooral drugs- en geweldmisdrijven), ‘first offenders’ zonder eerdere veroordelingen en enkele jeugdige voortvluchtigen. Niet alle voortvluchtigen lijken zich ervan bewust dat ze gezocht worden voor een openstaande gevangenisstraf. Bijvoorbeeld veroordeelden die in aanmerking komen voor vervangende hechtenis door het schenden van door de rechter opgelegde voorwaarden. Anderen weten het wel, maar houden zich op de vlakte. Een deel van de – met name zwaardere criminelen – lijkt in het buitenland te verblijven.

De opsporing
De eerste 90 dagen is het opsporen van voortvluchtigen een taak van de politiebasisteams. Deze basisteams gaan in de praktijk meestal drie keer langs bij de voortvluchtige, als het adres bekend is, om te kijken of de voortvluchtige alsnog aangehouden kan worden. Sommige basisteams verrichten nog extra opsporingshandelingen. Daarna is het afhankelijk van de hoogte van de straf of er actief opgespoord wordt; onder de 120 dagen openstaande straf is dit niet het geval. De voortvluchtige blijft dan wel gesignaleerd staan en wordt aangehouden als deze zelf ergens tegen de lamp loopt. In een aantal politie-eenheden wordt meer tijd geïnvesteerd in de opsporing van voortvluchtigen, bijvoorbeeld met gerichte landelijke executie-acties, die succes opleveren.
Informatie over voortvluchtigen wordt niet altijd goed geregistreerd en/of gedeeld bij verschillende overheidsdiensten. Dit kan tot gevolg hebben dat een verkeerd adres in het opsporingsregister staat, maar soms ook dat voortvluchtigen een uitkering ontvangen of een nieuw paspoort kunnen aanvragen.
Een deel van de geconstateerde knelpunten wordt momenteel geadresseerd binnen de Uitvoeringsketen Strafrechtelijke Beslissingen (USB) en verder wettelijk ingekaderd in het herziene Wetboek van Strafvordering. De aanbevelingen van de onderzoekers borduren hierop voort en betreffen onder andere voortgezette aandacht voor de samenwerking intern en binnen de keten; het aanpassen van opsporingsstrategieën aan specifieke categorieën voortvluchtigen en het vergroten van aandacht en urgentie binnen politie voor de opsporing van voortvluchtigen.

Criminele families in Noord-Brabant.

Samenvatting

Er zijn criminele families actief in de georganiseerde misdaad. De kans dat zij van generatie op generatie leden met een strafblad voortbrengen blijkt zeer groot. Dat geldt voor de mannen én de vrouwen. De overdracht van crimineel leiderschap is minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar door kan worden gegeven. Dit blijkt uit een onderzoek van EMMA – Experts in Media en Maatschappij en Tilburg University naar zeven familienetwerken in Noord-Brabant. Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de georganiseerde misdaad voortgebracht. De onderzoekers gingen na hoe die familieverbanden in elkaar steken, in welke mate criminaliteit wordt overdragen en hoe dat te verklaren valt. Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes.

In dit verkennende onderzoek worden de beschreven familieverbanden geplaatst binnen de maatschappelijke en politiek-bestuurlijke context van Noord-Brabant. Hierbij wordt een historisch perspectief gebruikt, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed op criminele gelegenheidsstructuren. Daarvoor heeft onder meer archiefonderzoek plaatsgevonden, dossieranalyse van afgesloten opsporingsonderzoeken, zijn politieregistraties bestudeerd en interviews gehouden met politiemensen en hulpverleners die, vanaf de jaren zeventig, betrokken zijn geweest bij de aanpak van criminele families.

De activiteiten van de families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in Noord-Brabant. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral het laatste opende voor criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families is voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt, maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is zeer lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig, maar ook gewone burgers moeten weerbaarder worden. Het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Elke familie vereist maatwerk en een zeer lange adem om hun gedrag om te buigen of toch ten minste in te perken.