• Politieenwetenschap


Nieuws

CALL 2017
 
De inschrijving op de Call 2017 is weer geopend. De Call 2017 is integraal te downloaden via deze website.

De inschrijving sluit op vrijdag 15 juni 2017 om 16.00 uur. Dat wil zeggen dat onderzoeksideeën uiterlijk op dat tijdstip moeten zijn ontvangen door het Programmabureau Politie en Wetenschap.
 
NB De onderzoeksideeën kunnen uitsluitend per e-mail worden ingediend en kunnen worden gemaild naar:

Monique.vanNieuwenburg-Willemsen@politieacademie.nl
 

Binnenkort te publiceren

2017

  • De onvindbaren. Op zoek naar voortvluchtige veroordeelden in Nederland - Yvette Schoenmakers Onderzoek & Advies
  • Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad - EMMA
  • De aard van het beestje - Bureau Beke
  • Modus Operandi van de recherche - Bureau Beke

 

 

 

 

 

Laatste publicaties

Vermisten op het spoor

Rechercheren naar langdurige vermissingen (2017).

I. van Leiden, M. Hardeman (Bureau Beke, Arnhem). Politiekunde 85

Samenvatting
Van de tienduizenden vermissingen die jaarlijks bij de politie worden gemeld, resulteren er bijna honderd in een langdurige vermissing. Deze langdurige vermissingen moeten vanaf het eerste moment met een opsporingsbril worden bekeken en niet te veel vanuit een hulpverleningsperspectief. Zo wordt voorkomen dat belangrijke informatie wordt gemist en er kostbare tijd verloren raakt. Medewerking van achterblijvers is hierbij cruciaal, maar deze wordt niet altijd direct gegeven aan de politie. Dit blijkt uit onderzoek van Bureau Beke, waarin 30 langdurige vermissingszaken zijn gereconstrueerd.

Het onderzoek
De Nationale Politie beschikt sinds vorig jaar over de zogenaamde 'Beke-lijst' met daarop 1500 personen die een jaar of langer worden vermist. In dit vervolgonderzoek is gekeken hoe de politie met langdurige vermissingszaken omgaat en wat daarvan geleerd kan worden. In het onderzoek is een reconstructie gemaakt van de opsporing van 30 langdurige vermissingen waarbij de politie op enig moment het vermoeden van een misdrijf heeft. Het gaat om zowel opgehelderde als niet-opgehelderde zaken. De vermissingen dateren uit het tijdvak 1985 tot en met 2010 en kennen een gemiddelde looptijd van elf jaar. Van die zaken is het politiedossier geanalyseerd en er zijn interviews gehouden met de betrokken politiefunctionarissen. In een aantal zaken is daarnaast gesproken met de achterblijvers van de vermisten om ook hun ervaringen met het politieonderzoek op te tekenen. De reconstructies bieden inzicht in de recherchepraktijk bij vermissingszaken en leveren lessen op voor de opsporing. Dat zijn niet alleen lessen voor de politie maar ook voor achterblijvers van vermisten. Omdat bij een vermissing onbekend is wat er aan de hand is, heeft de politie in feite direct een achterstand. Hoe eerder de vermissingszaak toch serieus wordt opgepakt, des te groter de kans dat een zaak wordt opgehelderd.

Rol achterblijvers
Achterblijvers hebben hier een belangrijk aandeel in: zij moeten op tijd melding maken van een vermissing én geen informatie achterhouden. Omdat er bij een vermissing vaak weinig tastbaars is, moet de politie voornamelijk op verhalen van achterblijvers afgaan. Het blijkt echter regelmatig voor te komen dat achterblijvers vanwege schaamte, trots of angst informatie verzwijgen, bijvoorbeeld over problemen die spelen. Daardoor bestaat de kans dat de politie de verkeerde denk- en zoekrichtingen inslaat en er onnodig tijd verloren raakt. Achterblijvers moeten zich er daarom van bewust zijn dat het cruciaal is dat zij direct eerlijk alle relevante informatie met de politie delen.
Van de zijde van de politie mag verwacht worden dat de verklaringen van achterblijvers niet zondermeer voor waar worden aangenomen maar worden geverifieerd. Een achterblijver kan immers betrokkenheid hebben bij de verdwijning. Dat kan blijken uit een gebrek aan bezorgdheid, het bewust achterhouden van informatie of het bewust op het verkeerde spoor zetten van de politie. Een voorbeeld is een zaak waarin een achterblijver verklaart dat de vermiste uit eigen beweging naar het buitenland is vertrokken. Jaren later blijkt hij haar vermoord en begraven te hebben.

Lessen voor de opsporing
De intuïtie (het fingerspitzengefühl) van ervaren politiefunctionarissen moet serieus worden genomen, blijkt uit het onderzoek. Daarnaast zijn creativiteit, vasthoudendheid en het betrekken van bijzondere expertises voorwaarden bij de behandeling van een vermissingszaak.
De politie hanteert geen protocol voor het opnieuw in onderzoek nemen van oude vermissingszaken. Naast de 1500 langdurige vermissingen zijn er ruim 1000 onopgeloste ernstige misdrijven (cold cases) waar ook opsporingscapaciteit voor nodig is. Er wordt in het onderzoek voor gewaarschuwd dat de aandacht voor langdurige vermissingen niet beperkt moet blijven tot een administratieve borging.

 

 

VVC onder de aandacht

Een onderzoek naar ZSM en de gevolgen voor het politiewerk (2017).

R. Salet, J. Terpstra m.m.v. P. Frielink (Radboud Universiteit, Nijmegen). Politiewetenschap 92

Samenvatting
ZSM draagt positief bij aan de afdoening van zaken van veel voorkomende criminaliteit (VVC). Dit blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen. Binnen de politie is meer aandacht gekomen voor de afhandeling van deze zaken en in veel gevallen leidt de ZSM-werkwijze sneller tot een beslissing over de afdoening. Daar staat tegenover dat de politie aan flexibiliteit en autonomie heeft verloren en dat bij ZSM werkwijzen zijn ontstaan die niet goed bij de aard en het ritme van politiewerk passen. Dit leidt soms tot ergernis en frustratie bij politiemensen. De suggestie dat door ZSM de administratieve lasten voor de politie zouden afnemen, blijkt in de praktijk niet te worden waargemaakt. Het zou volgens de onderzoekers dan ook goed zijn om de gedachte los te laten dat ZSM minder bureaucratie betekent. Daarnaast verdient het aanbeveling over de werkwijze en eventuele risico’s voor de zorgvuldigheid bij ZSM naar buiten toe transparanter te zijn. 

De introductie van ZSM in 2011 moest een einde maken aan lange doorlooptijden van eenvoudige strafzaken in de strafrechtsketen door op een directere en snellere wijze te reageren op VVC-zaken. In dit onderzoek is gekeken hoe de ZSM-werkwijze in de (politie)praktijk verloopt, welke gevolgen dit heeft voor het politiewerk en welke factoren en omstandigheden daarbij een rol spelen. Dit is gedaan door op vier locaties waar met ZSM gewerkt wordt en bij dertien verschillende politiebasisteams veel interviews af te nemen en politiemensen en medewerkers aan de ZSM-tafel te observeren. Daarbij is ook de afhandeling van een aantal concrete zaken gevolgd en juridisch geanalyseerd. Verder is op basis van bestaande registratiegegevens gekeken naar de snelheid waarmee zaken bij ZSM worden afgedaan.

Het blijkt dat er door ZSM binnen de politie meer aandacht is gekomen voor VVC-zaken en dat de doorlooptijd bij de behandeling is teruggedrongen. Met de oprichting van de VVC-teams heeft de politie daarin duidelijk geïnvesteerd. 

Door de nadruk op snelheid en efficiency doen zich echter wel spanningen en tegenstellingen voor rond de bijdrage van de politie aan het ZSM-traject. Zo leidt de komst van ZSM tot een toegenomen sturing van het politiewerk ten aanzien van VVC-zaken. Daardoor verliest politie autonomie en flexibiliteit in haar werk. Daarnaast heeft het streven naar efficiëntie een verregaande formalisering van werkzaamheden, contacten, overleg en informatieoverdracht tot gevolg. Dit sluit niet goed aan bij de behoefte van politiemensen tot persoonlijk en direct contact en overleg met partners, waaronder het Openbaar Ministerie. Ook kan de nadruk op snelheid en efficiëntie op gespannen voet komen staan met eisen van zorgvuldigheid en kwaliteit van het geleverde werk en de genomen beslissingen.

Geconstateerd wordt dat in toenemende mate niet alleen de eenvoudige zaken bij de ZSM tafel terechtkomen, maar ook steeds meer ingewikkelder zaken. Het is echter de vraag of de VVC- en ZSM-werkwijze geschikt zijn om ook zaken af te handelen die meer aandacht, onderzoek en informatie vragen.

 

Naar een rationele opsporing

Een pleidooi voor een maatschappelijk debat over de noodzaak van een utilistisch perspectief op de politiële opsporing (2017).

I. Helsloot. P. van Reenen. P. van Lochem.

Samenvatting
Het is noodzakelijk om heldere politieke keuzes te maken hoeveel politionele opsporingscapaciteit moet worden besteed aan welke typen misdrijven. Simpelweg roepen dat meer capaciteit noodzakelijk is, is veel te gemakkelijk. Dit betogen Helsloot, Van Reenen en Van Lochem in een discussiestuk op basis van eerder onderzoek. Zij benaderen de opsporing vanuit een kosten-baten perspectief.

Het discussiestuk is bedoeld om het debat over de opsporing te stimuleren. In het discussiestuk geven de auteurs het volgende aan:

In de afgelopen jaren is er binnen de politie, in de media, onder onderzoekers en in de politiek twijfel ontstaan over de effectiviteit van de opsporing. Het algemene oplossingspercentage van minder dan een kwart roept dan ook geen vertrouwen op. De algemene teneur binnen de politie(wetenschap) is dat er twee oorzaken ten grondslag liggen aan het ontstaan van de huidige effectiviteitscrisis in de opsporing. Ten eerste de bureaucratie die een reactie is op ernstige incidenten zoals opsporingsfouten in de Schiedammerparkzaak. Ten tweede de veel gegeven reden dat de wereld complexer wordt en de politiële opsporing daar nog niet voldoende voor is toegerust. De effectiviteitscrisis is zo bezien een simpel schaarste- en professionaliteitsprobleem dat kan worden opgelost met meer en betere rechercheurs.

Wie dieper kijkt, moet echter constateren dat dit niet zo simpel ligt. De auteurs betogen dat de echte vraag is: ‘hoeveel willen we als samenleving uitgeven voor welke kwaliteit van een dienst?’

De discussie over de opsporing verschilt daarmee niet essentieel van bijvoorbeeld die over de medische zorg in Nederland. Een foutloze zorg die alle kwalen aanpakt is onbestaanbaar en onbetaalbaar. De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg heeft daarom in 2006 in een baanbrekend advies gepleit voor transparantie hierover en voor een grens aan de investeringen per gewonnen gezond levensjaar. Deze norm wordt sindsdien grosso modo gehanteerd in de medische zorg.

Dezelfde maatschappelijk discussie zou ook gevoerd moeten worden over de gewenste inzet van capaciteit binnen de opsporing. Dit vraagt om transparantie over het feit dat niet aan elke misdaad opsporingscapaciteit zal worden besteed en dat er incidenteel onschuldigen veroordeeld zullen worden. Om een eerste inzicht te ontwikkelen in de huidige effectiviteit en verdeling van capaciteit in de opsporing, moeten er rekenwaarden toegekend worden aan het oplossen van een misdaad (een capaciteitsfactor maal de maatschappelijke schade) en aan opsporingsfouten (een jaar onterecht in bewaring ‘telt’ als een verloren levensjaar). Een verkennende toepassing van deze normerende rekenwijze laat zien dat de politie haar opsporingscapaciteit veel efficiënter kan inzetten.

Ira Helsloot is hoogleraar Besturen van Veiligheid aan de Radboud Universiteit
Piet van Reenen is onderzoeker en emeritus hoogleraar Politie en Mensenrechten
Peter van Lochem is onderzoeker en voormalig rector van de Academie voor Wetgeving.